Fred Sokolowski, Het Kasteel en de sprookjesvoetballer

 

Eerder verschenen in Hard Gras 107, de editie over Johan Cruijff, met toestemming van schrijver Zeger van Herwaarden overgenomen in de Goalgetter

IN MEMORIAM

Johan Cruijff 1947 – 2016

Foto bij artikel Fred Sokolowski

In de vroege jaren tachtig toen de wedstrijdbal ‘een echte tango’ heette, kwam er een sprookjesvoetballer in mijn jongenswereld binnengelopen. Held mijner kindertijd tot dan toe was onmiskenbaar Fred Sokolowski geweest, een Poolse immigrantenzoon, besnord, hoekig, kopsterk, en als vaste invaller van vv Nieuwerkerk sinds zijn winnende omhaal uit bij Waddinxveen, waarmee het vierde klasse-schap behouden bleef, stralend middelpunt van mijn mateloze pupillen bewondering.

Al even indrukwekkend, zo niet indrukwekkender dan Sokolowski’s invalbeurten, waren de spelers van Sparta, te zien op Het Kasteel, wanneer het eerste van Nieuwerkerk uit speelde: springwonder Wout Holverda, goalgetter Ronald Lengkeek, rechtsback Danny Blind met zijn sliding-voorzetten op maat. Ruim voor de stadsderby van 6 november 1983 was mij echter wel zonneklaar dat Robin Schmidt bepaald geen Ruud Gullit was, mandekker Aad Andriessen niet Ivan Nielsen, en dat aanvoerder Louis van Gaal op de Schietribune niet voor niets ook wel Trage Cruijff werd genoemd.

Net als Sokolowski deden de Spartanen altijd zichtbaar hun best, alsof ze zich elke twee weken weer voor het publiek moesten waarmaken.

Die goede oude jaren zeventig, toen alles naar verluid nog goed en dus beter was geweest, mochten dan verleden tijd zijn geweest, bij de spelerstunnel onder aan de Kasteeltribune kon je voetballer van beide ploegen, voordat zij ter warming up het veld opkwamen, nog altijd vrijelijk en ongestoord benaderen (en zelfs aanraken, zo je wilde), waardoor ik, na ruim drie seizoenen van allerhande thuiswedstrijden, beschikte over een rijk geschakeerde verzameling handtekeningen. Goed, Dick Schoenaker was tot twee keer bruusk doorgelopen, en Piet Schrijvers had me in het voorbijgaan tegen de hekken aan gebeukt, maar in de regel hielden de profvoetballers voor een krabbel aan de rand van het veld wel even stil.

Zo ook die Sparta-Feyenoord, toen mijn mooi en stevig gekafte exemplaar van BOEM, het levensverhaal van Johan en Danny Cruijff, niet geheel toevallig dienstdeed als handtekeningenboek; de Feyenoorders zetten allen hun vlugge krabbel, sommigen licht hoofdschuddend glimlachend om het als nieuw gebonden boek, met op het omslag Johan en Danny, samen buiten aan tafel.

Een leuke, vrolijke sfeer, alleen was er betrekkelijk lang geen spoor van Johan Cruijff te bekennen. Catastrofescenario’s stapelden zich op. Zo had ik van een vriendje begrepen dat hij nauwelijks trainde, dus misschien deed hij ook wel niet mee aan de warming-up. Totdat hij als allerlaatste Feyenoorder goddank en op zijn gemak dan toch de tunnel uit wandelde, kauwgom kauwend, en met een blik van: wie doet me wat, alles prima hier, geef die bal zo maar aan mij, komt allemaal goed.

‘Hé, hoe kom je aan dat boek?’

Stond hij plotseling voor me. Johan Cruijff. Dit was hem dan.

Johan Cruijff, hamerde het in mij.

‘Van mijn ouders. Voor mijn verjaardag.’ Ik klonk als een antwoordapparaat.

‘Nou, das dan geen verkeerd cadeau.’

‘Nee, nee.’ Ik stamelde, en verder kwam er niets. Ja, ik wilde hem wel vertellen dat ik het zo erg voor hem vond, van zijn vader, toen hij ongeveer dezelfde leeftijd had als ik, maar dat kon ik daar natuurlijk niet zomaar tegen hem gaan zeggen. Restte de repeterende notie: dit is Johan Cruijff, die hier voor me staat.

Hij zei: ‘Laat eens kijken.’ En hij bekeek toen de opengeslagen bladzijdes, met kriskras handtekeningen van zijn Rotterdamse teamgenoten.

‘Zal ik die van mij er dan ook maar bij zetten?’

Ik lachte met hem mee, en zei: ‘Ja, graag zelfs, tuurlijk, graag.’

Zwierig, snel en vloeiend zette Cruijff zijn handtekening, groot en sierlijk, midden op de titelpagina, om daarna ontspannen trimmend het veld op te lopen, met zijn laconieke O-benen en het trainingsjack losjes open.

Zo opvallend terloops had ik een voetballer nog nooit een speelveld zien betreden, niet op Het Kasteel, noch op enig Zuid-Hollands amateurvoetbalterrein, en al helemaal niet op een van de talloze garagepleinen, strijdperken van eer in de jaren zeventig nieuwbouwwijk Dorrestein, het Betondorp van mijn jeugd.

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s